Nieuws
In 2013 werd tijdens de bezetting van Timboektoe het Mausoleum van Sheikh Sidi Ahmed Ben Amar Arragadi vernietigd. De tombe stond sinds 1988 op de Werelderfgoedlijst van Unesco. (Foto: Sophie Ravier | Minusma)
Nieuws
Over deze foto
In 2013 werd tijdens de bezetting van Timboektoe het Mausoleum van Sheikh Sidi Ahmed Ben Amar Arragadi vernietigd. De tombe stond sinds 1988 op de Werelderfgoedlijst van Unesco. (Foto: Sophie Ravier | Minusma)

Moedwillige vernietiging van cultureel erfgoed is een oorlogsmisdaad

Moedwillige vernietiging van cultureel erfgoed is een oorlogsmisdaad

Moedwillige vernietiging van cultureel erfgoed is een oorlogsmisdaad

Nu de spanningen tussen Iran en de Verenigde Staten groeien, neemt ook de aandacht voor de bescherming van cultureel erfgoed in oorlogstijd toe. Het Amerikaanse Pentagon heeft op 7 januari afstand genomen van dreigementen van president Trump om Iraans cultureel erfgoed aan te vallen. Het Pentagon onderschrijft hiermee de internationale afspraken voor de bescherming van erfgoed in het geval van een gewapend conflict.

Dat juist het Amerikaanse Ministerie van Defensie afstand neemt, toont bovendien de breed gedragen militaire erkenning voor het Humanitair Oorlogsrecht aan. In dit recht staat het respect voor de menselijke waardigheid in de meest onmenselijke omstandigheden centraal (bron: Rode Kruis). Het beschermen van burgerdoelen, waaronder plaatsen van historische, culturele en religieuze betekenis hoort hier ook bij. 

Moedwillig vernietigen

Het moedwillig schade toebrengen aan monumenten en het ontvreemden van kustvoorwerpen tijdens gewapend conflict is een oorlogsmisdaad. Dat cultuurgoederen in oorlogstijd ontzien moeten worden is geregeld in het Unesco Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict uit 1954. De strekking hiervan werd in 2016 door de VN Veiligheidsraad (Resolutie 2347), naar aanleiding van de aanvallen op belangrijk erfgoed in Syrië en Irak, herhaald. De VN-resolutie is van toepassing op alle leden van de Verenigde Naties en kan gezien worden als een van de zwaarst geldende internationale afspraken. Het afzwakken of ontkennen van de ernst van deze misdaad, zoals President Trump deed in zijn tweet, doet afbreuk aan de internationale rechtsorde en is daardoor een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid. 

Het verlies van kostbare monumenten en objecten die ons iets vertellen over het verleden, is een verlies voor de mensheid. Dit verlies staat uiteraard in schril contrast met mensenlevens die verloren gaan in conflictsituaties. Desondanks leidt de verwoesting en beschadiging van erfgoed regelmatig tot (internationaal) protest, omdat deze overblijfselen uit het verleden gemeenschappen bewust maken van hun afkomst en sterk verbonden zijn met een culturele en sociale identiteit.

Instrument in oorlogsvoering

De vernietiging van erfgoed als instrument in oorlogsvoering is niet iets dat alleen in recente jaren plaatsvond. De grootschalige bombardementen en aanvallen tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog ruïneerden vele steden. Historische centra en waardevolle monumenten werden doelwit van moedwillige verwoestingen en collecties werden geplunderd. Op 14 mei 1954 tekenden lidstaten van Unesco in het Vredespaleis in Den Haag een verdrag om de verwoestingen en plunderingen te voorkomen. Wereldwijd verwijzen duizenden blauwwitte schildjes op monumenten of gebouwen met belangrijke collecties naar deze afspraken. 
                
Dat het moedwillig beschadigen of vernietigen van cultuurgoederen niet straffeloos blijft, blijkt uit diverse strafrechtelijke vervolgingen. Zo hebben zowel het Internationaal Strafhof als het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag individuen schuldig bevonden aan de vernietiging van erfgoed in voormalig Joegoslavië en in Mali. In 2016 werd een lid van een extremistische Islamitische terreurbeweging schuldig bevonden aan het opzettelijk aanvallen van religieuze en historische gebouwen in de Malinese stad Timboektoe. 

Tweede Protocol

Het Haags Verdrag is het enige internationale instrument dat volledig gewijd is aan de bescherming van cultureel erfgoed in oorlogstijd. Inmiddels zijn 133 landen partij bij het Verdrag. Volgend op de gebeurtenissen van de Balkanoorlogen in de jaren 90, werd het verdrag uitgebreid met een Tweede Protocol. Hierin zijn de verplichtingen van de verdragspartners in meer detail uitgewerkt en afspraken over rechtsvervolging opgenomen. Op dit moment hebben 82 landen het Tweede Protocol getekend. Aan de basis van het verdrag en protocol ligt de overtuiging dat schade, toegebracht aan culturele goederen, ongeacht aan welk volk zij toebehoren, schade betekent aan het culturele erfdeel van de gehele mensheid, aangezien ieder volk zijn bijdrage levert aan de wereldcultuur.