Overslaan en naar de inhoud gaan

Inclusiviteit in de bètawetenschappen: waarom diversiteit alleen niet genoeg is

Raghad Benothman 14 maart 2026

Op 13 maart 2026 organiseerde de UNESCO Jongerencommissie een Engelstalige paneldiscussie over inclusiviteit in de STEM-disciplines aan de Technische Universiteit Eindhoven. Want universiteiten en organisaties trekken een steeds bredere groep studenten en onderzoekers aan, maar hoe zorgen we ervoor dat deze mensen zich ook daadwerkelijk thuis voelen in deze omgevingen? En waarom is dat eigenlijk zo belangrijk?

Ervaringen uit de praktijk

Tijdens de paneldiscussie kwamen verschillende perspectieven samen, van studenten tot beleidsmakers. Aan het panel namen deel Monica Zakhari (UD en Chair van de Wellbeing Signal Group in Eindhoven), Ralph van Ierland (Wellbeing beleidsmedewerker, TU/e), Raghad Benothman (student en lid van de UNESCO Jongerencommissie en de Wellbeing Signal Group), Emma in den Bosch (pleitbezorger voor studenten met verschillende leerbehoeften), en Jon Verriet (adviseur Nederlandse UNESCO Commissie). Hun bijdragen vormden het startpunt voor een bredere discussie met studenten, promovendi, wetenschappers en medewerkers.

In die gesprekken werd duidelijk dat inclusiviteit geen abstract begrip is. Het beïnvloedt hoe mensen studeren, samenwerken en zich uitspreken. Achtergrond, gender en persoonlijke omstandigheden spelen daarin een rol, maar niet altijd op een zichtbare manier. Juist de minder zichtbare ervaringen – het gevoel er niet helemaal bij te horen, of niet serieus genomen te worden – bleken vaak doorslaggevend.

 

Meer dan beleid alleen

De discussie ging niet alleen over cultuur, maar ook over de inrichting van de omgeving. Deelnemers benoemden hoe fysieke voorzieningen, zoals stille ruimtes, gebeds- of meditatieruimtes, lactatieruimtes en toegankelijke gebouwen, bepalen of mensen zich welkom voelen.

Ook het onderwijs zelf kwam aan bod. Toegang tot opgenomen colleges, schriftelijk materiaal en verschillende manieren om deel te nemen kunnen voor veel studenten het verschil maken. Zo werd genoemd dat lange hoorcolleges niet voor iedereen werken, en dat alternatieve vormen van onderwijs vaak ontbreken. Zulke aanpassingen werden niet gezien als uitzonderingen, maar als onderdeel van goed en inclusief onderwijs.

Tegelijkertijd kwamen bredere barrières naar voren. Naast zichtbare kwesties, zoals beperkte representatie in leidinggevende posities, spelen ook minder zichtbare factoren een rol: impliciete vooroordelen, ongelijke toegang tot netwerken en gevoelens van isolatie. Deze beïnvloeden niet alleen het welzijn van individuen, maar ook of zij in STEM blijven en zich verder ontwikkelen.

Wat vraagt dit van instellingen?

Veel universiteiten en organisaties richten zich op het aantrekken van een diverse groep studenten en medewerkers. Om hen te behouden is er voortdurende aandacht voor de dagelijkse praktijk nodig: luisteren naar ervaringen, kritisch kijken naar bestaande structuren en bereid zijn om aanpassingen te doen. Niet alleen in beleid, maar juist in hoe mensen elkaar ontmoeten, samenwerken en beoordelen.

Hoe verder?

De bijeenkomst liet zien dat inclusiviteit in STEM niet kan worden teruggebracht tot cijfers of losse maatregelen. Het gaat om de vraag of mensen zich veilig voelen, zich kunnen uitspreken en zich daadwerkelijk onderdeel voelen van hun omgeving.

Voor de UNESCO Jongerencommissie is dit gesprek daarmee geen eindpunt, maar een begin. Door ervaringen uit de praktijk zichtbaar te blijven maken, wil zij bijdragen aan beter begrip van wat inclusiviteit vraagt. Zodat mensen niet alleen instromen in de STEM-disciplines, maar zich er ook kunnen ontwikkelen en hun volledige potentieel kunnen bereiken. De gesprekken onderstreepten dat inclusieve omgevingen daarbij geen luxe zijn, maar een voorwaarde.