‘Het klimaatprobleem zit niet tussen de polen maar tussen de oren’

Hoe krijg je de grote wereldvraagstukken over bijvoorbeeld klimaatverandering of genoeg voedsel niet alleen tussen de oren, maar beweeg je mensen ook om hun handen uit de mouwen te steken? Vier onderzoekers, waaronder UNESCO-leerstoelhouder prof. Arjen Wals van Wageningen University, zien in onderwijs geijkte mogelijkheden. Het leerproces kan wereldwijd krachtiger worden en meer betekenis krijgen door de harde bètavakken, zoals biologie en scheikunde complementair te laten zijn aan natuur-, milieu- en duurzaamheidseducatie. Over deze nieuwe onderwijsvorm die gebruikmaakt van citizen science, schrijven zij in Science van 9 mei.

De ‘harde’ onderwijsvakken zoals natuur- en scheikunde, biologie, wis- en natuurkunde, aardrijkskunde en het vak algemene natuurwetenschappen (anw) die klassiek op kennis en bewustwording zijn gericht, staan in de hele wereld los van natuur- en milieueducatie die samen met de nieuwste loot ‘duurzaamheidseducatie’ meer op handelen zijn gericht. Dat maakt geschoolden weliswaar zeer bewust van de toestand waarin de planeet verkeert, maar gebrek aan handelingsperspectief brengt ook een gevoel van onmacht met zich mee. Wat moet je bijvoorbeeld doen om een klimaatomslag te voorkomen of er beter op te anticiperen? Daarvoor is affiniteit met de politiek, de maatschappij en de economie van belang. Omgekeerd ontbreekt het de natuur-, milieu- en duurzaamheidseducatie aan voldoende natuurwetenschappelijk inzicht om de urgentie van hun voorgenomen handeling te onderbouwen, maar zij weet wel mensen bij de problemen te betrekken.

Verbinden

Het natuurwetenschappelijk onderwijs en de natuur-, milieu,- en duurzaamheidseducatie geven los van elkaar een versnipperd antwoord op de wens van de maatschappij om te komen tot een daadwerkelijk duurzame samenleving. “Het is nu de tijd om beide stromingen met elkaar te verbinden,” zegt prof. Wals, hoogleraar Sociaal leren en Duurzame ontwikkeling. “Wanneer er geen goede verbinding ontstaat tussen de beide educatiestromen dreigt natuurwetenschappelijk onderwijs eenzijdig ten dienste te komen te staan van het vergroten van de innovatie- en concurrentiekracht van de economie van een land. Tegelijkertijd kan natuur-, milieu- en duurzaamheidseducatie, zonder een goede verbinding met de natuurwetenschappen, maar moeilijk op verantwoorde manier omgaan met de tegenstrijdigheden en onzekerheden die zich binnen de wetenschap voordoen rondom duurzaamheidsvraagstukken.”

De auteurs van het Science-artikel geven een aantal voorbeelden van op duurzaamheid gericht onderwijs dat zich beweegt op het grensvlak van wetenschap en samenleving: Het Amerikaanse concept ‘Eetbare schooltuinen’, waarbij leerlingen hun eigen voedsel verbouwen in een educatieve tuin en tegelijk op school de daarbij benodigde natuurwetenschappelijke kennis opdoen of de Nederlandse variant Groene schoolpleinen. Een ander voorbeeld is YardMap, dat  gebruik maakt van ICT en citizen science. Burgers, jong en oud, brengen hierbij de biodiversiteit in eigen wijk of buurt in kaart, gebruikmakend van digitale foto’s, speciale apps en Google Maps. Het doel is het aanwijzen van plekken waar de mogelijkheden om de biodiversiteit te versterken het grootst zijn. Op basis van het onderzoek en in samenwerking met wetenschappers en lokale partijen (onder meer de gemeente, tuincentra, een NGO) worden actieplannen opgesteld en uitgevoerd waarbij de YardMaps steeds worden geactualiseerd. De verschillende YardMaps zijn ook door middel van sociale media met elkaar verbonden. In Nederland werkt De Natuurkalender op een vergelijkbare wijze.

Het 'Edible Schoolyard'-project: leerlingen aan de slag in een schooltuin in Berkeley, Californië.

Door citizen science, natuurwetenschappelijk onderwijs en natuur- milieu- en duurzaamheidseducatie bij elkaar te brengen kunnen burgers en wetenschappers op een betekenisvolle en handelingsgerichte manier werken aan duurzaamheid. Wals: “Het gaat hierbij niet om het verbinden van inhouden maar ook om het ontwikkelen van nieuwe competenties als het omgaan met complexiteit, onzekerheid en verwarring en het ontwerpen en uitvoeren van lokale oplossingen”. Mogelijk draagt deze manier van leren ook bij aan het verbeteren van het beschadigde vertrouwen in de wetenschap. De overheid zal meer moeten inzetten op het stimuleren en ondersteunen van ‘hybride leeromgevingen’ waarbij de grens tussen wetenschap en samenleving, school en buurt en mondiaal en lokaal vervaagt, en het welbevinden van mens en planeet meer centraal komt te staan.

Transitie

De roep om een transitie en een andere manier van denken wordt steeds groter, stelt Wals vast: “Uiteindelijk zit het klimaatprobleem niet tussen de polen maar tussen de oren”. Hij onderbouwt die bewering met de opvallende constatering dat de rol van onderwijs en het betrekken van burgers totaal onderbelicht blijft in het klimaatdebat. Hij vraagt zich daarom af hoe we een transitie kunnen realiseren zonder betrokken, kritische en competente burgers die waarden nastreven die niet louter gebaseerd zijn op de materiële kant van het bestaan maar ook op zorg voor anderen, hier en elders, nu en later.

Praat mee op #CitizenScience

Publicatie:  Wals, A.E.J., Brody, M., Dillon, J. and Stevenson, R.B. (2014) Convergence Between Science and Environmental Education, Science, 344, p. 583-584.

 

‘Vrede begint in de hoofden van mensen’ staat in de missie van UNESCO. Dus waar kan zij nu beter beginnen dan in het onderwijs? UNESCO coördineert het VN-thema Education for all, kent een netwerk van UNESCO-scholen en vraagt aandacht voor laaggeletterdheid, duurzaamheid en intercultureel leren.

More articles