Betwist erfgoed: Nieuw beleid voor een meerstemmige samenleving

Inleiding

Al generaties lang liggen Nederlandse kinderen zo vanaf november ’s nachts wakker van het Sinterklaasfeest. Sinds een aantal jaar bezorgt het ook menige bestuurder in dit land slapeloze nachten. De reden is bekend: terwijl sommige burgers aanstoot nemen aan het uiterlijk van Zwarte Piet, roept deze figuur bij anderen juist warme gevoelens op. Hoewel de kritiek niet nieuw is, hebben weinig beleidsmakers het huidige debat zien aankomen. Laat staan dat zij voorbereid waren op de golf van emoties die de kwestie losmaakte bij zowel de critici als de verdedigers van Zwarte Piets traditionele uiterlijk.

De regering stelde zich op het standpunt dat de kwestie door de samenleving zelf moest worden opgelost. Dit betekende in de praktijk dat het probleem op het bord belandde van gemeenten, schoolbesturen, middenstanders en vrijwilligersorganisaties. Zij moesten acuut een standpunt formuleren, terwijl van alle kanten voor- en tegenstanders druk op hen uitoefenden en er in de media een felle polemiek woedde. Ook grepen politieke partijen het onderwerp aan om zich te profileren. Intussen kreeg het debat een internationale dimensie, toen het Comité voor de Uitbanning van Rassendiscriminatie van de Verenigde Naties in 2015 een rapport uitbracht. Het comité adviseerde het uiterlijk van Zwarte Piet zo te veranderen, dat niemand er meer door zou worden gekwetst.

Midden in deze hectiek hadden beleidsmakers weinig om op terug te vallen. Enige houvast boden alleen de aanbevelingen van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland. Veel beleidsmakers namen het Sinterklaasjournaal van de omroep NTR als leidraad. Het resultaat was een bont palet aan beleidsstrategieën. In sommige gemeenten veranderde Zwarte Piet in een ‘roetpiet’, ‘kleurenpiet’ of een ‘stroopwafelpiet’, in andere bleef hij zwart. In weer andere gemeenten liepen in de dagen voor 5 december zowel traditionele als aangepaste Pieten over straat. Voor welke – al dan niet tijdelijke – oplossingen beleidsmakers ook kozen, ze leidden zelden tot volle tevredenheid van allen die zich betrokken voelden. De discussie over Zwarte Piet is nog niet verstomd en het zoeken naar passend beleid gaat tot op de dag van vandaag door.

Onderdeel van een trend

De kwestie Zwarte Piet staat niet op zichzelf. Met enige regelmaat komt cultureel erfgoed, waarvan de positieve waarde voor de samenleving tot voor kort nauwelijks werd betwist, ter discussie te staan. Soms is het omstreden erfgoed immaterieel van aard, zoals in het geval van Zwarte Piet, en soms materieel. Zo pleitte in 2012 een burgercomité in Hoorn voor het verwijderen van het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Deze eerste gouverneur-generaal van de Nederlandse koloniën in Indië pleegde massamoord op de bevolking van het eiland Banda. Ook klinkt er aanhoudend kritiek op de allegorische voorstelling van Nederlands voormalige koloniale imperium op een deurpaneel van de Gouden Koets. En de politieke partij DENK stelde in 2016 voor om andere namen te geven aan straten en pleinen die zijn vernoemd naar historische figuren die een rol hebben gespeeld in het koloniseren van andere landen en volken.

Naar verwachting zullen nog veel kwesties volgen. De laatste tijd ligt vooral het koloniale erfgoed onder vuur. Deze trend houdt verband met structurele veranderingen in de samenleving en is daarom niet van voorbijgaande aard. Beleidsmakers zullen steeds vaker kritisch worden bevraagd over de manier waarop zij het erfgoed selecteren, beheren en presenteren. Ze zullen te maken krijgen met emotionele debatten en protesten tegen aanstootgevend erfgoed. De verschillende spelers binnen de erfgoedsector in Nederland zijn nog onvoldoende voorbereid en toegerust om deze uitdagingen het hoofd te bieden.

Het commitment van Unesco

De Nederlandse Unesco Commissie wil handvatten aanreiken om het erfgoedbeleid beter af te stemmen op de behoeften in de samenleving van vandaag en morgen. Sleutelwoorden zijn diversiteit en inclusie. In 2005 hebben de 195 lidstaten van Unesco een Convention on the Protection and Promotion of the Diversity of Cultural Expressions gesloten. In deze overeenkomst staat onder meer dat het beschermen en bevorderen van diversiteit vereist dat culturele uitingen van minderheden als gelijkwaardig worden erkend en gerespecteerd. 

Gelet op de internationaal overeengekomen doelstellingen wil de Nederlandse Unesco Commissie bouwstenen aandragen voor een inclusief erfgoedbeleid. De Commissie kijkt ook kritisch naar de eigen rol van Unesco. Op de Werelderfgoedlijsten staan maar weinig culturele uitingen van minderheden. Dat komt doordat alleen nationale staten erfgoed kunnen voordragen. Vaak selecteren zij uitsluitend erfgoed dat door de dominante bevolkingsgroep als van nationale betekenis wordt beschouwd. Om te achterhalen hoe erfgoedbeleid kan bijdragen aan een inclusieve samenleving, is het nuttig om te rade te gaan bij de wetenschap. Er wordt veel academisch onderzoek verricht naar de relaties tussen erfgoed, collectieve identiteit en sociale en politieke conflicten. De resultaten bereiken echter maar mondjesmaat de mensen die het erfgoedbeleid daadwerkelijk formuleren en in praktijk brengen.

Hier wil de Commissie iets aan doen. Zij heeft ongeveer vijftig wetenschappers uit binnen- en buitenland bijeengebracht op een tweedaagse expert meeting in mei 2015 op de Universiteit Leiden. De deelnemers waren deskundigen op het gebied van de geschiedenis en het erfgoed van de Caraïben, de Balkan, Anatolië en West-Europa. In lezingen en werkgroepen hebben zij kennis en ervaringen uitgewisseld aan de hand van casussen. Welke erfgoedinitiatieven zijn er in de afgelopen drie decennia in de bovengenoemde regio’s geweest en in hoeverre hebben die bijgedragen aan een meer inclusieve samenleving? Wat was de respons vanuit de bevolking? Welke algemene lessen kunnen uit de verschillende casussen worden getrokken? Doel van de bijeenkomst was om te komen tot concrete aanbevelingen. De resultaten van de expert meeting zijn weergegeven in een rapport en dit vormt de basis voor onderhavige tekst.

Meerstemmige samenleving

Erfgoedbeleid heeft sinds het begin van de negentiende eeuw steeds als doel gehad om de (nationale) saamhorigheid binnen een samenleving te versterken. Welke overblijfselen uit het verleden beleidsmakers waardevol genoeg achten om te beschermen en te ontsluiten, wordt meestal bepaald door het collectieve historische verhaal van de dominante bevolkingsgroep. In Nederland zijn in de afgelopen jaren talloze lokale, regionale en nationale canons opgesteld, waarvan de achterliggende idee is dat alle leden van de bevolking ze ‘zouden moeten kennen’. Kennis van de canon maakt dat mensen zich meer betrokken voelen bij de eigen gemeenschap. Dit verwachten althans de opstellers.

Het versterken van saamhorigheid door middel van erfgoed is relatief eenvoudig zolang er binnen de samenleving consensus bestaat over de inhoud van het collectieve verhaal. Volledige consensus komt echter vrijwel niet voor. Zo vindt in Nederland sinds de eerste Nationale Dodenherdenking op 4 mei 1946 bijna onafgebroken discussie plaats over de invulling van deze jaarlijkse plechtigheid. Daarbij staat de vraag centraal: ‘Welke doden herdenken wij?’ In de loop der jaren hebben verschillende groepen – zoals Indië-veteranen en homoseksuelen – met succes hun plek in de herdenking opgeëist. Andere aanzetten tot verbreding, bijvoorbeeld door vertegenwoordigers van de Duitse overheid uit te nodigen, zijn daarentegen vooralsnog gestrand. In 2017 heeft een alternatieve 4 mei-herdenking in Amsterdam voor verdronken bootvluchtelingen geleid tot een verontruste reactie van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), dat vreest dat de slachtoffers van de Holocaust door dergelijke initiatieven naar de achtergrond worden gedrongen.

Gebrek aan consensus is ook te beluisteren in discussies over zogenaamd dadererfgoed van de Tweede Wereldoorlog. In Lunteren bevinden zich restanten van een arena die de NSB in de jaren dertig heeft laten bouwen voor massabijeenkomsten. Deze ‘Muur van Mussert’ staat op instorten en zou volgens een expert van het NIOD Instituut voor Holocaust- en Genocidestudies moeten worden gered. Het CIDI daartegen waarschuwt dat de plek na restauratie zal verworden tot een bedevaartsoord voor neonazi’s.

De kans op consensus is het grootst als de bevolking in hoge mate homogeen is – etnisch, cultureel, politiek en religieus. Wanneer er daarentegen minderheden zijn met visies op het collectieve verleden die niet overeenstemmen met het dominante verhaal, of hier zelfs mee in tegenspraak zijn, ontstaat er wrijving. Wat de ene bevolkingsgroep koestert als waardevol erfgoed, kan de andere groep als aanstootgevend ervaren.

De spanningen kunnen zo hoog oplopen dat partijen elkaars erfgoed beschadigen of vernietigen. Een voorbeeld hiervan levert Zuid-Afrika, waar in 2015 onder meer standbeelden van Paul Kruger en Mohandas Gandhi zijn beklad door activisten. Kruger vanwege het koloniale regime in Transvaal waaraan hij leiding gaf, Gandhi vanwege racistische uitspraken over zwarten. Ook in Nederland bedienen actievoerders zich soms van dit middel. In 2016 spoten leden van actiegroep De Grauwe Eeuw het woord ‘genocide’ op de sokkel van het standbeeld van Coen in Hoorn.

De maatschappelijke consensus over het collectieve verleden staat in Nederland in toenemende mate onder druk. De samenleving wordt meerstemmiger als gevolg van globalisering, immigratie, emancipatie van minderheden en nieuwe media. Dit leidt tot een grotere variatie aan perspectieven, die soms lijnrecht ingaan tegen het verhaal van de dominante meerderheid. Zo nemen in het historisch bewustzijn van Surinaamse en Caribische Nederlanders slavenhandel, slavernij en onderdrukking door blanken een centrale plaats in. Het traditionele nationale verhaal, waarin de koloniale geschiedenis wordt voorgesteld als iets waar Nederlanders trots op mogen zijn, is daarom kwetsend voor grote groepen burgers. Erfgoedbeleid dat dit traditionele verhaal als leidraad neemt, miskent het historische perspectief van een deel van de bevolking en sluit mensen uit.

Wereldwijde beweging

Niet alleen wordt de samenleving gevarieerder van samenstelling, maar pluriformiteit wordt ook bevorderd door de globalisering van informatie. In het verleden bezaten bestuurlijke en culturele elites het monopolie op de informatievoorziening, waardoor het relatief gemakkelijk was één bepaald collectief verhaal te promoten. Maar dankzij internet en sociale media hebben mensen in deze tijd een schier eindeloze hoeveelheid bronnen tot hun beschikking. Sommige zijn betrouwbaar, andere niet. Gebruikers van sociale media staan in contact met mensen over de hele wereld, wisselen informatie en opinies uit over lokale of nationale kwesties en gaan erover in debat. Zo wordt de Zwarte Piet-discussie met grote belangstelling gevolgd en mede gevoerd door personen vanuit andere landen. Dankzij sociale media kan een klein burgerinitiatief in korte tijd uitgroeien tot een grote beweging, die zich bovendien weinig aantrekt van geografische grenzen.

 

Een goed voorbeeld is de Rhodes Must Fall-beweging. In 2015 betoogden studenten van de Universiteit van Kaapstad tegen de aanwezigheid van een standbeeld van de witte politicus en mijnmagnaat Cecil John Rhodes (1853-1902) op de campus. Het protest sloeg van Kaapstad over naar de universiteit van Oxford, waar zich eveneens een standbeeld van Rhodes bevindt. Wat begon als een Zuid-Afrikaanse aangelegenheid leidde binnen de kortste keren ook in Groot-Brittannië tot een bij vlagen fel gevoerd debat op de universiteit en in de landelijke media.

 

In de Verenigde Staten is eveneens een aanzienlijke beweging opgekomen van studenten, merendeels met niet-Europese voorouders, die onder meer roepen om het verwijderen van kwetsend koloniaal erfgoed van universiteitsterreinen. In februari 2017 besloot Yale University om een van haar kosthuizen niet langer te vernoemen naar oud-vicepresident van de Verenigde Staten John C. Calhoen (1782-1850). Studenten hadden tegen de vernoeming geprotesteerd omdat Calhoen de slavernij verdedigde. Soortgelijke protesten tegen koloniale namen en symbolen op campussen vinden ook aan andere Amerikaanse universiteiten plaats. Dat de protesten zich tegelijkertijd op drie verschillende continenten voordoen, is geen toeval, maar wijst op een sterke interactie tussen de actievoerders. Het betekent ook dat protesten en debatten gemakkelijk kunnen overslaan naar andere landen, waaronder Nederland.

Inclusie en identiteit

 

Beleidsmakers staan in de eenentwintigste eeuw voor de uitdaging een nieuwe erfgoedpolitiek te ontwikkelen voor een veranderende samenleving. Eén die recht doet aan de uiteenlopende perspectieven van burgers. Overheden en erfgoedinstellingen zullen op zoek moeten gaan naar een nieuw verhaal, waar alle bevolkingsgroepen zich in kunnen vinden. 

Dit is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Erfgoed dat men vanouds het beschermen waard vindt, herinnert ofwel aan grootse prestaties van de dominante groep (bijvoorbeeld een militaire overwinning of een bijdrage aan ‘de Vooruitgang’) ofwel aan onrecht dat de dominante groep is aangedaan door anderen (zoals een vijandelijke bezetting). Zowel beleidsmakers als gebruikers van erfgoed hebben doorgaans weinig interesse in de mislukkingen van de eigen groep, laat staan in misdaden. Zij hebben belang bij een positief verhaal, dat de groepsleden een identiteit en een gevoel van eigenwaarde verschaft, de onderlinge saamhorigheid bevordert en moed en inspiratie geeft voor de toekomst.

Het toevoegen van zogenaamde zwarte bladzijden aan het collectieve verhaal heeft tegenovergestelde effecten. Vooral wanneer historische gebeurtenissen die traditioneel als hoogtepunten werden gevierd volgens het nieuwe, inclusieve verhaal als dieptepunten moeten worden beschouwd. Wanneer de Verenigde Oost-Indische Compagnie niet langer symbool staat voor ondernemingszin en maritieme macht, maar voortaan in verband wordt gebracht met slavernij en genocide, loopt het zelfbeeld van de Nederlandse natie
een kras op. Dat is voor veel burgers even slikken. In 2008 verwoordde Rita Verdonk als aanvoerder van de politieke partij Trots op Nederland het chagrijn van veel burgers door verontwaardigd te verklaren: ‘Ze willen ons Sinterklaasfeest afpakken. Ze willen overal slavernijmonumenten neerzetten’.

Mensen ontlenen een gevoel van continuïteit, veiligheid en eigenwaarde aan positieve identificatie met de eigen groep, die tot stand komt dankzij het collectieve verhaal dat vaak van generatie op generatie wordt doorgegeven. Als plotseling het verhaal verandert, kan dit leiden tot emotionele reacties. Beleidsmakers doen er goed aan hier rekening mee houden. Waar verandering noodzakelijk is om diversiteit en inclusie te bevorderen, mag de voorheen dominante meerderheid niet uit het oog worden verloren. De hamvraag
is: ‘Op welke manier kan men recht doen aan zowel de alternatieve zienswijzen en behoeftes van nieuwe erfgoedgebruikers, als de behoefte van de traditionele gebruikers aan continuïteit en positieve identificatie?’ Dat hierbij de historische feiten te allen tijde in acht moeten worden genomen, staat buiten kijf.

Verwijderen, aanpassen of behouden

Tijdens de expert meeting is gebleken dat er drie verschillende strategieën zijn die beleidsmakers kunnen volgen ten aanzien van betwist erfgoed: verwijderen, aanpassen of behouden.

1. Verwijderen

Soms geven erfgoedbeheerders gehoor aan protesten uit de samenleving door de steen des aanstoots in zijn geheel of gedeeltelijk te verwijderen. Wanneer het om materieel erfgoed gaat, betekent dit meestal: slopen of opslaan op een plek die niet toegankelijk is voor publiek. Dit laatste is gebeurd met het Rhodesstandbeeld op de universiteitscampus in Kaapstad.

Ook in de Amerikaanse stad New Orleans zijn, in april 2017, monumenten verwijderd. In totaal ging het om vier sculpturen. Drie ervan beeldden Zuidelijke generaals en politici uit de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) uit, de vierde herinnerde aan een groep blanken die in 1874 heeft geprobeerd het raciaal gemengde stadsbestuur omver te werpen. De burgemeester van New Orleans noemde de monumenten een vergissing. In zijn stad is ongeveer twee derde van de inwoners zwart. Maar ultrarechtse witte groeperingen protesteerden luidkeels tegen de verwijdering. Vanwege doodsbedreigingen werden de bouwlieden die de beelden van hun plek haalden beveiligd door zwaargewapende politieagenten. 

Verwijdering kan een conflict over bepaald erfgoed wegnemen, wanneer er in de samenleving nauwelijks draagvlak is voor behoud. Meestal gaat het zo’n geval om erfgoed dat verbonden is met een collectief verhaal dat door de dominante meerderheid zelf inmiddels als achterhaald wordt beschouwd. Maar wanneer grote groepen nog wél aan het verwijderde erfgoed gehecht zijn, dan zijn er behalve winnaars ook verliezers. In zo’n geval kan deze strategie leiden tot nieuwe onvrede en conflicten.

2. Aanpassen

Een andere mogelijke strategie is het omstreden erfgoed aanpassen. Het blijft dan behouden voor degenen die zich ermee verbonden voelen, terwijl tegelijkertijd tegemoet wordt gekomen aan groepen die er aanstoot aan nemen. Een goed voorbeeld is het veranderen van Zwarte Piet in een ‘roetpiet’ of ‘kleurenpiet’. De kern van het Sinterklaasfeest blijft op deze manier intact, maar er is geen directe associatie meer met het slavernijverleden. In 2004 besloot de gemeente Amsterdam het gedenkteken voor J.B. van Heutsz (1851-1924) aan de Apollolaan om te dopen tot Monument Indië-Nederland. Van Heutsz was gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en is bekend vanwege zijn rol als legeraanvoerder in de Atjehoorlog. Al in 1984 hadden actievoerders de plaquette met zijn naam van het monument afgehaald. 

Aanpassing betekent per definitie het sluiten van een compromis. Het kan de ideale oplossing zijn in gevallen waarin het gewraakte erfgoed behalve tegenstanders ook verdedigers heeft. Maar dan moeten de verschillende partijen zich voldoende in het compromis kunnen vinden. Soms verwijst erfgoed na aanpassing naar een pijnlijk verleden waaraan een deel van de gebruikers niet wil worden herinnerd, omdat de eigen groep ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ stond. Denk aan grootschalig geweld, onderdrukking of genocide. In zo’n geval kan de acceptatie van het aangepaste erfgoed worden vergroot door mede aandacht te schenken aan personen die afkomstig waren uit dezelfde groep als de daders, maar het hebben opgenomen voor de slachtoffers.

3. Behouden

Een derde en laatste mogelijke strategie is behoud van erfgoed in ongewijzigde vorm. Beleidsmakers die hiervoor kiezen, proberen soms toch aan bezwaren tegemoet te komen door de context aan te passen. Zo heeft het Rijksmuseum Amsterdam in 2015 besloten de beschrijvingen van zijn objecten te controleren op voor culturele minderheden beledigend taalgebruik – denk aan woorden als  ‘Hottentot’ of ‘Indiaan’ – en deze te vervangen door termen die minder kwetsend zijn. Iets soortgelijks is gebeurd in Hoorn. In reactie op de protesten tegen het standbeeld van Coen besloot de gemeente in 2012 op de sokkel een nieuw tekstbord aan te brengen met onder meer de zin: ‘Volgens critici verdient Coens gewelddadige handelspolitiek in de Indische archipel geen eerbetoon’. Deze geste van de gemeente heeft het conflict rond Coen echter niet opgelost en in 2016 is het standbeeld alsnog beklad. 

De dubbele strategie van behoud en aanpassing van de context is op radicale wijze toegepast in Zuid-Afrika. Na de transitie van Apartheid naar democratie in 1994 bleef het land zitten met een groot aantal historische monumenten die waren opgericht door de voormalige witte machthebbers. Het verhaal dat deze monumenten uitdroegen was exclusief wit en niet zelden racistisch. Toch heeft de zwarte regering in het kader van haar verzoeningspolitiek veel van dit witte erfgoed intact gelaten. Beelden en bustes van Apartheidsleiders zijn wel grotendeels verwijderd, maar monumenten die herinneren aan negentiendeeeuwse gebeurtenissen zoals de Grote Trek en de Boerenoorlog, mochten blijven. Zij zijn niet gesloopt, maar aangevuld met monumenten die het zwarte Afrikaanse perspectief laten zien. 

Zo staan er op het slagveld van Ncome of Bloedrivier in de provincie KwaZulu-Natal, waar in 1838 een veldslag plaatshad tussen Nederlandstalige Voortrekkers en Zoeloes, twee verschillende musea. Het oudste werd opgericht toen de witte minderheid nog alle macht in handen had. Het vertelt het verhaal van de slag vanuit het perspectief van de Voortrekkers. Na de democratische transitie is even verderop een tweede museum verrezen, dat het perspectief van de Zoeloes op de gebeurtenissen laat zien. Tussen de musea in stroomt de eigenlijke Ncome of Bloedrivier. In 2014 is heeft president Jacob Zuma een Brug van Verzoening geopend. 

De Zuid-Afrikaanse regering gunt elke bevolkingsgroep zijn eigen monumenten en zijn eigen herinnering. In een etnisch zo verdeelde samenleving als die van Zuid-Afrika is dat wellicht verstandiger dan vruchteloos zoeken naar een gezamenlijk verhaal dat alle uiteenlopende perspectieven zou kunnen verenigen.

Conflicten vóór zijn

Welke beleidsstrategie uiteindelijk de meest effectieve is, verschilt van geval tot geval. Maatwerk is geboden. Toch is het raadzaam voor Nederlandse beleidsmakers om nu al na te denken over mogelijke scenario’s en niet te wachten totdat problemen zich acuut voordoen. Oplossingen die ad hoc en onder druk moeten worden bedacht zijn achteraf zelden bevredigend. Wanneer een beslissing wordt genomen die onvoldoende rekening houdt met de wensen van (een deel van) de gebruikers, kunnen tegenstellingen groter worden in plaats van kleiner. In zo’n geval groeit het risico dat kwetsbaar erfgoed door actievoerders wordt beschadigd of vernield.

Verstandig erfgoedbeleid betekent: conflicten vóór zijn. Dat kan door in gesprek te gaan met gebruikers om hun behoeften en wensen in kaart te brengen. Te denken valt aan algemene surveys onder de bevolking of gesprekken met vertegenwoordigers van specifieke groepen – culturele minderheden én meerderheden. Beleidsmakers doen er goed aan zelf het debat aan te zwengelen. Zij zouden zo veel mogelijk betrokken partijen moeten uitnodigen om mee te praten. Langs deze weg zullen erfgoedgebruikers met afwijkende perspectieven zich meer gehoord voelen. Verschillende gebruikersgroepen leren elkaars standpunten te respecteren en gaan samen op zoek naar een nieuw, inclusief verhaal dat als basis kan dienen voor het erfgoedbeleid.

Erfgoedbeheerders kunnen zelf inhoudelijk bijdragen door middel van educatie en voorlichting. Zo organiseerde het Persmuseum in Amsterdam in de winter van 2015-2016 de tentoonstelling Zwarte Piet in de media, waar bezoekers werden geïnformeerd over de herkomst van de figuur, zijn rollen in de beeldcultuur en de discussies over zijn uiterlijk vanaf 1850. Dergelijke projecten geven niet alleen verdieping aan het debat, maar kunnen ook bijdragen aan begrip over en weer tussen de deelnemers. En ze kunnen het draagvlak voor eventueel nieuw beleid vergroten.

Het zal misschien niet altijd lukken één verhaal te formuleren waarin alle gebruikers zich herkennen. In zo’n geval is het goed de diversiteit aan perspectieven te accepteren. Het is niet erg als er discussie en polemiek rond bepaald erfgoed is, want hierdoor blijft het levend. Onverschilligheid is voor erfgoed een groter gevaar. Wanneer consensus over het collectieve verhaal buiten bereik ligt, kan als alternatief worden geprobeerd de verschillende groepen gebruikers elk op hun eigen manier te bedienen. Veel waardevol erfgoed van minderheden wordt nog niet als zodanig erkend. Het is zaak om dit erfgoed te inventariseren, te beschermen en te ontsluiten. Een voorbeeld is het geplande monument op de Rotterdamse Lloydkade voor Molukkers die na de Indonesische onafhankelijkheid naar Nederland zijn gekomen. Ook zulke initiatieven leiden tot meer inclusie.

Concrete keuzes zal iedere beleidsmaker uiteindelijk zelf moeten maken. Maar één optie bestaat niet. De veranderingen in de samenleving zijn niet te negeren. Wie zijn erfgoedbeleid niet tijdig afstemt op de toekomst, komt voor vervelende verrassingen te staan.

Colofon

© Nederlandse Unesco Commissie

Tekst en beeldredactie: Bas Kromhout