Waarde en werkelijkheid van (wereld)erfgoed

Het Werelderfgoedverdrag bestaat 40 jaar. Sinds 1972 hebben meer dan 900 monumenten, cultuurlandschappen en natuurgebieden de status van Werelderfgoed gekregen, omdat ze een unieke en universele waarde voor de mensheid hebben. Ter gelegenheid van dit jubileum organiseerde de Nationale UNESCO Commissie de expertbijeenkomst ‘Waarde en Werkelijkheid van Werelderfgoed’, in Teylers in Haarlem.

Ongeveer 70 erfgoedspecialisten, beheerders, beleidsmakers en lokale politici kwamen af op de bijeenkomst in Teylers.

De eerste spreker, Ron van Oers werkzaam voor UNESCO’s Werelderfgoedcentrum in Parijs, sprak met name over de werking van het verdrag. Sinds 1972 hebben bijna alle landen ter wereld de conventie geratificeerd en daardoor is de aandacht voor erfgoed enorm toegenomen. Lidstaten onderschrijven niet alleen de verplichting om goed te zorgen voor Werelderfgoed binnen hun grenzen, maar ook om hun andere erfgoed zorgvuldig te beheren en daardoor te waarderen. Ze kijken over elkaars schouder mee, of en hoe, een lidstaat zich van deze taak kwijt. Het verdrag zelf, gaat niet inhoudelijk in op wat wordt verstaan onder ‘unieke en universele waarde’ van een specifiek erfgoed. Dat wordt bij elke inschrijving apart bediscussieerd en vastgelegd en is daarna niet meer onderhandelbaar. Dat kan betekenen dat een land wordt aangesproken op de geleverde kwaliteit van het beheer. Een site kan op de 'bedreigde lijst' worden geplaatst, of uiteindelijk zelfs de status verliezen, zoals de stad Dresden overkwam. “Keer op keer blijkt het noodzakelijk te zijn, dat erfgoed een rol speelt in het dagelijks leven van mensen. Anders is het zorgvuldig beheer van een site bijna onmogelijk te organiseren”, aldus Van Oers.

Arjo Klamer, hoogleraar Economie van kunst en cultuur, benadrukte, dat het bij ‘zorgen voor beheer en behoud’ niet in de eerste plaats gaat om geld of om regels van de overheid. Het willen behouden komt voort uit het door burgers erkennen van erfgoed als een waarde, als iets dat hen raakt en waarmee zij zich verbonden voelen. Die waarde-erkenning is in eerste instantie iets van de burgers in de samenleving; alleen op basis van dat sociale draagvlak kan de overheid haar verantwoordelijkheden vormgeven. Die kunnen liggen op het gebied van regelgeving, ruimtelijke ordening of (mede)financiering. Vanuit de zaal werd gewezen op het feit dat ook de markt hier een relevante partner is; immers, veel erfgoed is particulier bezit, en het is bijzonder om te constateren dat individuen de regels accepteren die de overheid oplegt aan gebouwd en landschappelijk erfgoed. Ook dit is alleen te verklaren vanuit een maatschappelijk erkennen van waarden.

Jan-Willem Sieburgh, adviseur cultureel ondernemen, wees erop dat er veel, vaak nog onbenutte manieren zijn om die benodigde waardering actiever te stimuleren en te versterken. Het is belangrijk om een brug te slaan tussen de waardering van inhoudelijke deskundigen en die van het brede publiek. De samenwerking van de Hema en het Rijksmuseum is een goed voorbeeld dat recent succesvol was, maar er is hier nog een wereld te winnen. “Als cultuur is wat ons bindt, moeten we het beter delen”.