UNESCO voor beter onderwijs: een onderzoek naar curriculaire capaciteitsversterking

Alle kinderen naar school, daar gaat het om bij Education for all. De wereld heeft daar ook hard aan gewerkt sinds het begin van deze eeuw. En ze gaan, in groten getale. Maar wat leren ze daar eigenlijk, op al die scholen? Steeds meer wordt duidelijk dat niet alleen over het naar school gaan moet worden nagedacht, maar ook over de inhoud en de kwaliteit van wat leerlingen moeten leren.

Een relevant, samenhangend en praktisch bruikbaar curriculum is buitengewoon belangrijk om kwalitatief goed onderwijs mogelijk te maken. Maar hoe maak je zo’n curriculum? Veel landen worstelen daarmee, niet in de laatste plaats omdat er maar weinig curriculumexpertise bestaat. In Nederland is die expertise aanwezig en daarom werkt de Nationale UNESCO Commissie samen met het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling (SLO) om door een onderzoek te laten zien hoe succesvolle curriculaire capaciteitsversterking opgezet kan worden. Daarmee kunnen landen, schoolbesturen of schoolteams aan de slag om zelf te werken aan een kwalitatief hoogwaardig curriculum.

Het onderzoek bestaat uit drie fasen:

Curriculumonderzoek: fase 1

Onderzoekster Corine Vis heeft in de eerste fase van het onderzoek een uitgebreide literatuur- en praktijkanalyse uitgevoerd naar de succeselementen voor curriculaire capaciteitsversterking. Deze analyse heeft vijf kernprincipes opgeleverd waar zulke trajecten aan zouden moeten voldoen om succesvol te zijn.

Deze kernprincipes zijn te verdelen in:

1. Eigenaarschap en harmonisatie.
Je kunt de capaciteit versterken als mensen intrinsiek gemotiveerd zijn om veranderingen te bereiken. Als de mensen ter plaatse een gedeelde visie hebben, voelen ze zich meer eigenaar van het traject en zullen de veranderingen ook duurzamer zijn.  Daarvoor heb je lokaal leiderschap nodig, en moet het traject in lijn zijn met reeds bestaande strategieën, beleid en prioriteiten.

2. Capaciteitsniveaus
Je moet bij een dergelijk traject rekening houden met de verschillende capaciteitsniveaus, en het traject daar zoveel mogelijk in inbedden. Dit betekent dat het van belang is om je niet alleen te richten op mensen, maar ook op de organisaties waar mensen werken en de sociale, politieke en economische context waarin zij zich bewegen.    

3. Partnerschap
Capaciteitsversterkingstrajecten zijn sterk gebaat bij samenwerkingsverbanden die gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen, collegiale dialoog, gezamenlijke verantwoordelijkheid en een open en flexibele houding.

4. Samenwerkend leren
Capaciteitsversterkingstrajecten kunnen het beste uitgevoerd worden door middel van participatieve, leergerichte en context-relevante aanpakken. Dat betekent dat het voor capaciteitsversterking belangrijk is om gezamenlijk de trajecten te doorlopen, en al 'lerend' de weg te vinden die het beste bij een specifieke context past. Dus niet iets aan de tekentafel bedenken voor een context die je niet kent, maar dat juist samen met de mensen doen. Mensen nauw bij het traject betrekken en samen bepaalde keuzes te maken. Op die manier vergroot je de kans op betrokkenheid, verankering en dus uiteindelijk duurzaamheid.

5. Strategisch denken en handelen
Capaciteitsversterkingstrajecten profiteren sterk van een systemisch perspectief, waarbinnen strategische keuzes worden gemaakt die gericht zijn op het versterken van eigenaarschap, harmonisatie en afstemming; partnerschappen; samenwerkend leren en de kwaliteit van curriculum processen en producten. Een systemisch perpectief wil zeggen dat je zo veel als mogelijk steeds het totaalplaatje voor ogen houdt: als het ware breder kijken dan alleen het (technische) deel waar je mee bezig bent. Dus als je bezig bent met curriculumontwikkeling en je tijdens het proces bepaalde keuzes moet maken, dan is het belangrijk dat je steeds die kernprincipes voor ogen houdt, en op basis daarvan strategische keuzes maakt. ('Zorgen we op deze manier voor betrokkenheid, is dat wat we ontwikkelen geschikt voor deze context, etc.)

Deze vijf principes zijn van groot belang voor capaciteitsversterkingstrajecten, maar tegelijkertijd wijst de praktijk uit dat deze principes en voorwaarden lang niet altijd eenvoudig te realiseren zijn.

Fase twee: toetsing aan de praktijk in Mozambique

In de tweede fase van het onderzoek zijn deze principes in de praktijk onderzocht. Daarvoor is Corine een aantal maanden in Mozambique geweest, om in een bestaand project deze principes te toetsen. 

Mozambique ligt in het zuidoosten van Afrika en kent een turbulent verleden. Het land werd na een hevige strijd in 1975 onafhankelijk van Portugal, en daarna woedde er tot 1992 een burgeroorlog die aan honderdduizenden mensen het leven kostte. Sinds het vredesakkoord dat werd getekend in 1992, is het land langzaam opgeklommen en heeft het zich steeds verder ontwikkeld. Momenteel is het een van de sterkst groeiende economieën van Afrika, maar tegelijkertijd is Mozambique ook nog steeds een van de armste landen ter wereld. Voor veel kinderen is naar school gaan geen vanzelfsprekendheid, en van de kinderen die wel naar school gaan, maakt een aanzienlijk deel de basisschool niet af.

Schoolkinderen in Mozambique.

Voor veel meisjes in Mozambique is onderwijs een stuk minder vanzelfsprekend dan voor jongens. Van de kinderen die niet naar school gaan, of de school vroegtijdig verlaten, vormen meisjes een ruime meerderheid. Dit heeft te maken met de armoede waar veel mensen mee te maken hebben, in combinatie met sociaal-culturele factoren. Voor veel mensen heeft de rol die meisjes en vrouwen spelen in het huishouden en binnen het huwelijk een veel grotere prioriteit dan onderwijs en leren. Daar komt nog bij dat meisjes en vrouwen in het algemeen vaak een ondergeschikte rol spelen in de maatschappij, met als gevolg dat veel meisjes te maken krijgen met seksueel geweld, jong (moeten) trouwen en vaak al op jonge leeftijd zwanger raken, met alle gevolgen van dien. Deze gehele problematiek zorgt voor grote ongelijkheid in kansen en mogelijkheden tussen jongens en meisjes. 

Het Girls’ Education Challenge-project probeert daar verandering in te brengen. Het project loopt in een rurale provincie in het midden van Mozambique. Het project is ontwikkeld met meisjes als middelpunt en wil een aantal van de grootste struikelblokken aanpakken en de basis leggen voor een duurzaam proces voor sociale verandering. Dit doet men door samen te werken met een groot aantal betrokkenen, zoals leerkrachten, schooldirecteuren, ouders, leden van de schoolcomités en de gemeenschap. Op die manier wordt geprobeerd om de opvattingen met betrekking tot onderwijs voor meisjes te veranderen, en een omgeving te creëren waarin meer steun komt voor onderwijs voor meisjes en zogenaamde ‘gendergelijkheid’ in het algemeen. Een van de doelen van het project is het aanpassen van het bestaande curriculum en het professionaliseren van leerkrachten, op zo’n manier dat zij beter in staat zijn om les te geven op een kindvriendelijke manier, waarin meisjes en jongens gelijke kansen krijgen. Door het ontwikkelproces van dit curriculum samen met lokale partners te doorlopen probeert men te komen tot een praktisch bruikbaar en duurzaam curriculum,  en tegelijkertijd de curriculaire capaciteit van de partners te versterken. Tijdens dit proces heeft Corine de kernprincipes en bijbehorende aanbevelingen getoetst.   

Fase 3: tweede toetsing aan de praktijk op Sint Eustatius

Begin 2015 gaat Corine op Sint Eustatius, Caribisch Nederland, de principes uit het onderzoek in de praktijk toepassen. Op Sint Eustatius wordt momenteel hard gewerkt aan een ingrijpende curriculumvernieuwing met als doel om het onderwijs voor de leerlingen te verbeteren. Op het eiland wordt nu nog lesgegeven in het Nederlands, maar onderzoek heeft uitgewezen dat Nederlands als instructietaal voor veel kinderen een struikelblok vormt. Nederlands is voor veel kinderen niet hun moedertaal. Hierdoor bouwen veel kinderen achterstanden op, simpelweg omdat ze de lessen niet goed kunnen volgen. De overheid heeft ervoor gekozen om vanaf volgend schooljaar het onderwijs aan te bieden in het Engels. Deze taal sluit goed aan bij de regio en zal de kwaliteit van het onderwijs en de kansen voor leerlingen aanzienlijk vergroten. De verandering van instructietaal houdt in dat het curriculum aangepast moet worden. 

De komende maanden moet er dus hard gewerkt worden om de invoering van het Engels als instructietaal op de voorschoolse opvang, de vier scholen voor basisonderwijs en de eerste klas van het voortgezet onderwijs mogelijk te maken. De belangrijkste activiteiten hierbij zijn het opzetten van leerlijnen voor Engels, Nederlands als vreemde taal en rekenen/wiskunde; het ontwikkelen van bijbehorende leermaterialen en het scholen van leerkrachten zodat zij goed toegerust zijn om met de nieuwe materialen en methodologie te kunnen werken. Alle activiteiten worden uitgevoerd door lokale ontwikkelteams, met ondersteuning van SLO.

In september 2015 spraken de lidstaten van de VN af om samen te werken in het bereiken van de Sustainable Development Goals (SDG's). Doel vier daarvan luidt "to ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all"
UNESCO is de uitvoerder van dit onderwerp, publiceerde het Framework for Action, en publiceert de resultaten in het jaarlijkse Global Education Monitoring Report. 

De Nationale UNESCO Commissie organiseert de jaarlijkse Nederlandse lancering van het Global Education Monitoring Report en volgt de ontwikkelingen rond SDG4 op de voet.  

Meer berichten