Onderzoeksupdate: curriculumvernieuwing in Oostelijk Afrika

In de laatste fase van haar onderzoek naar het verbeteren van internationale samenwerking op het gebied van onderwijs en curriculumontwikkeling, bevindt onderzoekster Corine Vis zich in oostelijk Afrika.  Zij toetst daar het door haar ontwikkelde raamwerk aan de praktijk. 

Men heeft in dit land jarenlang gewerkt aan een curriculum en assessment hervorming voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Deze casus is qua opzet anders dan de andere twee. In de eerste twee casussen was Corine zowel als curriculumadviseur als als onderzoeker werkzaam. In deze laatste casus heeft zij geen onderdeel uitgemaakt van het project, maar alleen in de rol van onderzoeker gekeken in hoeverre het raamwerk ook geschikt is als evaluatie-instrument. 

Het nieuwe curriculum ligt klaar om uitgerold te worden maar door omstandigheden is de implementatie vooralsnog uitgesteld. Aan de hand van het raamwerk kon Corine vrij snel in kaart brengen wat de mogelijke oorzaken hiervoor waren. 

Het huidige curriculum stamt uit 1970 en is sindsdien vrijwel ongewijzigd gebleven. Het enige wat veranderde was dat er lesstof werd toegevoegd, waardoor het curriculum met meer dan 40 vakken ook nog eens enorm overladen raakte. Een ander probleem was de gerichtheid op kennisverwerving (en dan vaak ook nog verouderde kennis), zonder oog voor het versterken van competenties, vaardigheden en het daadwerkelijk kunnen toepassen van die kennis. 
Als gevolg hiervan was het behalen van een diploma lange tijd slechts weggelegd voor een kleine groep en verliet het overgrote deel van de studenten de middelbare school zonder diploma. 

In 2011 begon men aan de herziening van het curriculum. Het moest voldoen aan een aantal nieuwe criteria: een sterke focus op het ontwikkelen van begrip, vaardigheden en competenties in plaats van alleen kennisverwerving, en een compacter en relevanter lesaanbod. Daarnaast moest het onderwijs van leerkracht-gericht student-gericht worden. Dit betekende niet alleen een andere manier van lesgeven, maar ook andere tekstboeken: interactief en studentvriendelijk.  

Omdat het project zo groot was en de capaciteit bij het ministerie van onderwijs klein, is er voor gekozen om technische expertise van buitenaf aan te trekken en sterk in te zetten op capaciteitsversterking van nationale specialisten. In een periode van drie jaar zijn er diverse curriculum documenten ontwikkeld. Daarnaast zijn de ruim 40 schoolvakken omgezet in acht leergebieden, en is er voor elk leergebied een syllabus ontwikkeld. Verder is er een ondersteuningsplan voor leerkrachten opgesteld, en zijn er tekstboekspecificaties en voorbeeld-examenopgaven ontwikkeld. 

1.    Capaciteitsniveaus
Het is in een onderwijsverandering belangrijk om rekening te houden met de capaciteitsniveaus in de context waarbinnen je werkt: het individu, de organisatie, en de sociale, politieke en economische context. Zij verschillen van elkaar, maar hangen ook sterk samen.

Een ‘roadmap’ uit 2007 beschrijft gedetailleerd waarom de hervorming nodig was. Deze is geschreven door consultants in nauwe samenwerking met het ministerie van onderwijs, en met inbreng van uiteenlopende stakeholders. De roadmap biedt aanbevelingen en brengt risico’s en oplossingen in kaart, steeds beschreven vanuit de specifieke context van het land. Daarnaast is er een curriculumanalyse uitgevoerd door specialisten van het curriculumontwikkelingscentrum. De uiteindelijke plannen en strategieën zijn vastgesteld op basis van onder andere deze onderzoeken.  

2.    Partnerschap
Essentieel in een goede curriculumhervorming zijn partnerschappen die gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen, dialoog, gezamenlijke verantwoordelijkheid en een open mind. 
Tijdens het project hebben nationale en internationale consultants nauw samengewerkt met de ontwikkelgroepen, in het bijzonder met de specialisten van het curriculumontwikkelingscentrum en het departement van examinering. Verschillende respondenten omschreven een prettig werkklimaat gebaseerd op samenwerking, respectvolle interactie, en veel ruimte voor discussie, voor verschillende meningen en eigen inbreng. In de meeste gevallen lijken de consultants een effectieve en ondersteunende rol te hebben aangenomen.

Het ontwikkelen van relaties en het opbouwen van partnerships in bredere context bleek moeizamer te gaan. Gezien de omvang van de curriculumhervorming en de impact die dit heeft op het gehele onderwijssysteem, was het van groot belang stakeholders van deze verschillende instituten nauw bij alle ontwikkelingen te betrekken. Daarnaast zou het ministerie idealiter een belangrijke rol moeten spelen. In de praktijk bleek dit een lastig punt. De grote meerderheid van de geïnterviewden beschreef dat de afwezigheid van belangrijke stakeholders op het ministerie en het ontbreken van partnerships negatieve gevolgen hebben gehad voor het project.

3.    Eigenaarschap en harmonisatie
Houd in een curriculumhervorming rekening met intrinsieke motivatie; lokaal leiderschap en eigenaarschap; werk vanuit een gedeelde visie; en zorg voor samenhang tussen lokale en internationale prioriteiten en strategieën.
Vrijwel alle direct betrokken geïnterviewden beschreven een sterke mate  van eigenaarschap, maar gaven tegelijkertijd aan dat dit tijd heeft gekost vanwege de enorme veranderingen die deze hervorming met zich meebrengt ten opzichte van het oude systeem. 

De mate van betrokkenheid en eigenaarschap buiten deze kerngroep lijkt minder vanzelfsprekend. Dit bleek direct samen te hangen met de eerder genoemde problemen rond het betrekken van andere stakeholders. De ontwikkelgroepen waren te groot om effectief mee te kunnen werken en in veel gevallen zijn de uiteindelijke documenten ontwikkeld door een veel kleinere groep. Hierdoor zijn verschillende stakeholders uiteindelijk niet, of onvoldoende betrokken geweest bij het ontwikkelen. Daarnaast bleek het uitwisselen van informatie tussen leden van de ontwikkelgroepen en hun achterban verre van vanzelfsprekend. Dit heeft in het beste geval geleid tot onbekendheid, en in het slechtste geval tot enorme weerstand tegen de vernieuwing.

Een aantal geïnterviewden gaf ook aan dat het gebrek aan het verspreiden en delen van informatie wellicht ook te maken heeft met een culturele kant, waaronder de in het land gangbare hiërarchische opvattingen. 

Het gebrek aan coördinatie en coöperatie hangt nauw samen met het ervaren gebrek aan leiderschap en betrokkenheid van het ministerie, wat het proces ernstig heeft bemoeilijkt. Dit alles heeft ertoe geleid dat het traject tijdelijk stil is gezet, en op het moment van schrijven was onduidelijk hoe de zaken zich verder zouden ontwikkelen. 

4.    Samenwerkend leren
De aanpak van een traject moet zo veel mogelijk leergericht, context relevant en participatief zijn. 
Alle geïnterviewde specialisten hebben aangegeven dat dit proces en deze aanpak sterk hebben bijgedragen aan hun professionele ontwikkeling. Zij beschreven de activiteiten, zoals ‘on-the-job’ leren en diverse trainingen, als intens, soms zwaar, maar in het algemeen als zeer constructief.

Het ‘self-assessment’ rapport maakt inzichtelijk welke capaciteiten er tijdens dit proces zijn versterkt en in welke mate, en laat over de gehele linie een behoorlijke groei zien. Naast het proces zijn ook de curriculumproducten geëvalueerd. 

De meerderheid van de geïnterviewden vindt dat het ontwikkelde curriculum nu veel beter past bij de context van het land. Een verkenning van een aantal van de vernieuwde syllabi onderstreept dit beeld. 

5.    Strategisch denken en doen
Een systemische aanpak is essentieel, inclusief strategische keuzes die de andere pijlers en de algehele kwaliteit van het proces versterken

Het werk, waar oorspronkelijk 18 maanden voor stond, moest uiteindelijk in slechts 15 weken worden uitgevoerd. Hierdoor was er minder ruimte voor verdere capaciteitsversterking. Veel respondenten wezen op het feit dat er juist tijd nodig is om mensen, met name leerkrachten, vertrouwd te maken met het nieuwe curriculum.

Door het gebrek aan communicatie over de vernieuwingen in het curriculum ontstonden onjuiste opvattingen, weerstand, en angst voor baanverlies. Die weerstand kwam o.a. naar voren in krantenartikelen waarbij de vernieuwing in sommige gevallen met de grond gelijk werd gemaakt. Dit alles heeft er uiteindelijk toe geleid dat het traject tijdelijk is stopgezet.

Veel geïnterviewden gaven aan dat een gebrek aan middelen, met name geld, ervoor heeft gezorgd dat er onvoldoende gecommuniceerd kon worden over het project. Voor de volgende fase is dringend budget nodig om bewustwording van leerkrachten, ouders en de gemeenschap te kunnen stimuleren en om leerkrachten en uitgevers te kunnen trainen in de nieuwe methodologie.

Voorlopige conclusies
Het raamwerk is goed bruikbaar is als evaluatie-instrument, waarbij in relatief korte tijd de sterke en zwakke punten van een project aan het licht komen. De grootste knelpunten in het project bevonden zich met name in de pilaren drie en vijf van het raamwerk. De sterke kanten van het project zijn vooral terug te vinden in de pilaren een, twee en vier. 

Het lijkt erop dat het raamwerk ook goed gebruikt zou kunnen worden voor formatieve evaluatie tijdens eerdere fasen in een project. Op die manier is het mogelijk om tijdig te anticiperen op onderbelichte elementen.

De analyse toont ook de nauwe verbondenheid van de pilaren: het ontbreken van bepaalde aspecten onder een of meerdere pilaren uit het raamwerk heeft direct gevolgen voor de andere pilaren, vaak in negatieve zin en ten koste van algemene duurzaamheid. 

Dit werpt ook vragen op over een mogelijke hiërarchie binnen het raamwerk, en over hoe de aanbevelingen zich tot elkaar verhouden. De laatste fase van het onderzoek zal daar verder op ingaan door een meta-analyse van het raamwerk op basis van de drie casussen, en sluit af met een algehele conclusie en aanbevelingen, die ook op deze website gepresenteerd zullen worden.   

In september 2015 spraken de lidstaten van de VN af om samen te werken in het bereiken van de Sustainable Development Goals (SDG's). Doel vier daarvan luidt "to ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all"
UNESCO is de uitvoerder van dit onderwerp, publiceerde het Framework for Action, en publiceert de resultaten in het jaarlijkse Global Education Monitoring Report. 

De Nationale UNESCO Commissie organiseert de jaarlijkse Nederlandse lancering van het Global Education Monitoring Report en volgt de ontwikkelingen rond SDG4 op de voet.  

Meer berichten