Cultureel erfgoed onder vuur: 60 jaar Verdrag van Den Haag

Voorafgaand aan de opening van de fototentoonstelling ‘Culture under Attack’ vonden een jongerendebat en een rondetafelbijeenkomst plaats over de toekomst van het Haags Verdrag. Line Kuppens, jongerenvertegenwoordiger in Vlaanderen, schreef een uitgebreid verslag.

Het opblazen van de brug van Mostar tijdens de oorlog in voormalig-Joegoeslavië, het vernietigen van de Bamiyan Boeddha’s in Afghanistan, de vernieling van de historische site van Babylon tijdens de oorlog van Irak, de aanslagen in Timboektoe vorig jaar, de continue golf van vernieling van Syrisch erfgoed in de huidige burgeroorlog, de voorbeelden van cultureel erfgoed onder vuur zijn – jammer genoeg – legio.

Nochtans werd er 60 jaar geleden een Conventie tussen UNESCO-lidstaten uitonderhandeld in Den Haag met het doel  zulke vernielingen te voorkomen: het Verdrag inzake de Bescherming van Culturele Goederen in geval van een Gewapend Conflict. Sindsdien prijkt er een blauw-wit schild op tal van sites over heel de wereld. Het wijst op het grote culturele belang ervan en het zou ze moeten beschermen tegen mogelijke verwoesting. Heeft het Verdrag dan gefaald? Is er nood aan een nieuwe of een aangepaste Conventie? Precies 60 jaar na de ratificatie van deze internationale overeenkomst  in het Vredespaleis in Den Haag, evalueerde een groep van Nederlandse en Belgische jongeren de relevantie, impact en toekomst van het Verdrag in diezelfde omgeving om vervolgens hun bevindingen voor te stellen tijdens een Rondetafeldiscussie met experts.

Het jongerendebat in de bibliotheek van het Vredespaleis

Een korte geschiedenis

In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, is het in 1954 gesloten Verdrag van Den Haag niet de eerste verbintenis die tot doel heeft cultureel erfgoed te beschermen. In 1899 en 1907 werden al enkele eerste stappen gezet tijdens de toenmalige Haagse Vredesconferenties. Vervolgens werd in 1935 het zogenaamde Roerich-Pact ondertekend. Het was geïnspireerd op de twee vorige conferenties. Dit alles mocht niet baten, getuige de vernieling van o.a. de kathedralen van Conventry en Dresden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarom werd er intensief gewerkt aan een nieuw Verdrag, geïnspireerd op de voorgaande en voortbouwend op de Verdragen van Genève inzake Oorlogsvoering.

Op 14 mei 1954 resulteerde dat proces in het Verdrag inzake Bescherming van Culturele Goederen in geval van een Gewapend Conflict. Het Verdrag gaat uit van de noodzaak van bescherming van culturele goederen vanuit de overtuiging dat vernieling hiervan een verlies inhoudt voor de hele mensheid, ‘aangezien ieder volk bijdraagt aan de cultuur van de wereld’ (vrije vertaling van de preambule). Culturele goederen verwijzen hier niet enkel naar historische bouwwerken, maar naar alle roerende of onroerende goederen die van groot belang zijn voor het culturele patrimonium van alle volken (Art. 1). De term omvat dus evenzeer belangrijke monumenten, als kunstwerken en boeken. In 1954 werd een Eerste Protocol toegevoegd omtrent het verbod op exportatie van erfgoed en teruggave van illegaal geëxporteerde goederen. Een Tweede Protocol volgde in 1999. Hierin voorziet men in de oprichting van een speciaal comité voor het Verdrag. Het Protocol verduidelijkt verder enkele concepten, zoals preventieve maatregelen, schendingen en sancties, en voerde zelfs een nieuw concept in (‘enhanced protection’). Parallel werden er in 1970, 1972, 2003 en 2005 UNESCO Cultuurconventies gesloten voor de bescherming van het gemeenschappelijk erfgoed en de bevordering van culturele diversiteit. 

Verdeeld succes

Dat het Verdrag geen onomstotelijk succesverhaal is, hebben de afgelopen 60 jaar bewezen. In 2001 bliezen de Talibaan de Boeddha’s van Bamiyan op omdat deze immense standbeelden (55m en 37m hoog), daterend uit de 6de eeuw, symbool stonden voor verafgoding. Hoewel Amerikaanse troepen in april 2003 gestationeerd werden voor het Nationaal Museum van Irak, plunderde men de inhoud genadeloos: 15000 objecten zouden verdwenen zijn. Daarnaast brachten de troepen van de coalitie onherstelbare schade aan aan de historische site van Babylon door er een militaire basis te installeren. Meer onherstelbare schade aan cultureel erfgoed werd aangericht in Timboektoe in 2013 naar aanleiding van de gevechten tussen de Toeareg-rebellen en de Malinese regeringstroepen. Maar liefst 14 mausoleums zouden volledig vernield zijn, alsook delen van de Djingareyber Moskee die gebouwd werd rond 1327. Ook het toegangsmonument tot de stad, het El Farouk Onafhankelijkheidsmonument, en talloze manuscripten moesten eraan geloven. Volgens Annette Schmidt,  curator van het Rijksmuseum Volkenkunde, werd Timboektoe juist getroffen omwille van zijn status als cultureel erfgoed: zo werd een internationale reactie verzekerd. Ook het aanhoudende geweld in Syrië heeft zijn tol geëist, zoals het vernielen van de Umayyad Moskee in Aleppo en de Moskee van Azaz. 

Toch zou het niet juist zijn om enkel het niet naleven van het Verdrag in dit artikel toe te lichten. De invoering van het Blauwe Schild als embleem voor beschermd cultureel erfgoed – dat dient toegekend te worden door de nationale overheden – heeft vele andere sites kunnen behoeden voor erger. Merk daarbij op dat bijvoorbeeld het Syrische regime bijna volledig hadnagelaten had zijn sites te voorzien van het embleem. Ze werden er pas tijdens het conflict toe verplicht. Vele belangrijke collecties werden overigens wél gered van plundering en vernieling. Zo werden er naast de 15000 geplunderde objecten uit het Iraaks Nationaal Museum, bijna tienduizend waardevolle voorwerpen tijdig in veiligheid gebracht. Ook in Syrië wist DGAM (Directoraat-Generaal van Antiquiteiten en Musea) belangrijke collecties in veiligheid te brengen. Tot slot gaf het Verdrag in enkele lidstaten, waaronder Nederland, de aanzet tot het oprichten van speciale comités ter bescherming van cultureel erfgoed binnen het leger of politie. 

Het Verdrag doorgelicht

Naar aanleiding van de het 60-jarig jubileum van het Verdrag organiseerde de Nederlandse Nationale UNESCO Commissie, i.s.m. haar Vlaamse Zustercommissie, de Bibliotheek van het Vredespaleis, het Nederlandse Blue Shield Comité en de Werkgroep UNESCO van de NJR, een jongerendebat voor Vlaamse en Nederlandse jongeren rond de toekomst van het Verdrag. Een rondetafeldiscussie van experts vormde het sluitstuk.

Zo'n dertig studenten met verschillende achtergronden voerden een vurig debat rond de relevantie, impact en toekomst van het Verdrag. Ze besloten dat het Verdrag nog steeds erg relevant is: cultureel erfgoed raakt nooit uit de mode. Het belang van cultureel erfgoed school voor hen in de rijke geschiedenis die het goed vertegenwoordigt, in de bron van identificatie met je cultuur, maar ook in de economische waarde ervan, zoals toerisme. Daarom moet de bescherming van cultureel erfgoed prioritair zijn, naast – en niet in de plaats van, of onderdanig aan – humanitaire bescherming. Ze  geloofden sterk dat militaire belangen nooit de bovenhand mogen halen: militaire belangen zijn meestal niet meer dan strategische keuzes, die het Verdrag op een perverse manier gebruiken. Denk maar aan de Amerikaanse basis bij Babylon, het overdadig toekennen van Blauwe Schild emblemen in ex-Joegoeslavië, of het treffen van vluchtelingen die zich hebben teruggetrokken in culturele erfgoedsites. Hoewel het Verdrag niet door alle lidstaten ondertekend werd, geloven de jongeren toch in de kracht ervan. Zo heeft het volgens hen een enorm effect op de publieke opinie. De menselijke ketting van Egyptenaren rond de Bibliotheek van Alexandrië in 2011 is daarvan een mooi voorbeeld. De jongeren vinden tot slot dat het Verdrag aangepast moet worden om een betere naleving te verzekeren. Daarenboven moet men aandacht besteden aan de digitalisering van cultureel erfgoed en aan de sensibilisering van soldaten én hun oversten. 

De experts vonden eveneens dat het Verdrag beter kan. Susan Legêne, professor Politieke Geschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en René Teijgeler, directeur van Culture in Development, wezen op de nood aan inclusie van niet-statelijke actoren in het Verdrag. De rol van niet-statelijke actoren is tweezijdig: enerzijds wordt veel vernieling veroorzaakt door niet-statelijke actoren, anderzijds spelen niet-statelijke actoren, zoals ngo’s en de lokale bevolking, een belangrijke rol bij de bescherming en het herstel van culturele goederen. Men vraagt met andere woorden op twee manieren aandacht voor deze actoren. 

Benjamin Goes, voorzitter van het Comité voor de Bescherming van Culturele Goederen in geval van Gewapend Conflict, vroeg op zijn beurt om meer aandacht voor de preventieve stappen die staten moeten nemen ter bescherming van hun erfgoed (denk terug aan de nalatigheid in Syrië om vóór het conflict de Blauwe Schilden toe te kennen). Het Tweede Protocol heeft hier alvast meer aandacht voor, maar is nog niet door voldoende staten geratificeerd (slechts door 67 staten terwijl 126 het Verdrag van 1954 ratificeerden). Daarnaast beseft hij dat de concepten in het Verdrag nog duidelijker gedefinieerd moeten worden en dat er nood is aan meer middelen. Ook Jan Hladic, hoofd Cultural Heritage Protection Treaties bij UNESCO, erkende de nood aan meer middelen en hoopte op meer ratificaties. Daarnaast was hij voorstander van meer coherentie tussen het Protocol en de Cultuurconventies van UNESCO. Biljana Volchevska, programmacoördinator van Afghanistan van het CIE - Centre for International Heritage Activities in Leiden, legde de nadruk dan weer op de waarden die achter erfgoed schuilen. Zolang we niet beseffen dat erfgoed getroffen wordt omwille van de waarden die het vertegenwoordigt, stelde ze, kunnen we verdere vernieling niet stoppen. De sleutel ligt volgens haar dan ook bij onderwijs. Enkel door het besef van de enorme, universele waarde van erfgoed kunnen we plundering en vernieling voorkomen. 

De fototentoonstelling 'Culture under Attack' langs de Lange Vijverberg.

Deze educatieve rol heeft de Nederlandse Unesco Commissie alvast op zich genomen. Naar aanleiding van de 60-jarige herdenking van het Verdrag van Den Haag hebben ze samen met enkele externe partners, waaronder de Vlaamse Unesco Commissie en Agentschap Onroerend Erfgoed Vlaanderen, de fototentoonstelling ‘Culture under Attack’ georganiseerd. Deze fototentoonstelling is vrij te bezichtigen langs de Lange Vijverberg in Den Haag en zal later verhuizen naar Vlaanderen.